Hélène Gelèns

staketsel van dagen

1
bladeren door oude agenda's waden
van afspraak naar afspraak naar afspraak waden
op zoek

staag waden van feest naar verjaardag naar bellen met vragen
naar het psalter dat verdween uit de kast naar weken
in één pennenstreek naar een zedenpreek in vreemd handschrift
en zaterdag na zaterdag een vraagteken na den haag

waden door die massagraven vol bakens
patronen en doorgeschrapte taken
(armzalig staket van doorspekte jaren)
wat er mist met een glimgrijns beademen


2

de agenda van dit jaar opslaan bladeren

terugbladeren niet teruglezen wat
intens was zoveel niet teruglezen
bij dit tijdstip dit station: zwijgende lachlippen
rijp op bleek gras ongerept ochtendijs
zonlicht dat breekt in de eerste kras
bij dit lustoord deze lunch: 's nachts een lachstuip
't bed uit onder een bulderende wolkenlucht
uitgelaten naar huis hollen met stormkracht in de rug

dit jaartal terugbladeren en steeds jouw naam
jaargangen lang spraken onze agenda's
dezelfde code zogen ze dezelfde inkt in
plakte de klamme zomer jouw leer op mijn plastic
schrapte de kerst twee keer dezelfde zes dagen
werd je naam alleen geschreven
onder waarschuwen in geval van ongeval

terugbladeren en je naam bij de dagen lezen


Caroline Kramer schreef over haar en jouw gedichten: Zoals ik meer op situatie gefocused ben is zij dat op woorden, wat die doen met de lezer.
Als ik jouw gedichten zo lees (dwz de vijf die je me toestuurde) krijg ik het idee dat niet zozeer woorden, maar vooral beelden een rol spelen in die gedichten.
Wat vind jij daar nou van? Vind je het eigenlijk wel belangrijk om je werk te kenschetsen?

Ik reflecteer veel op mijn werk. Ik ben ook altijd nieuwsgierig naar interpretaties van mijn gedichten. Maar ik heb een hekel aan etiketten, aan hokjes. Door op het werk van een dichter een etiket te plakken (bijvoorbeeld 'postmodernisme' of 'dit werk heeft een noodzaak'), lijkt het 'zo en niet anders' gelezen te moeten worden. Daarmee doe je het werk tekort. Wie Dirk van Bastelaere louter leest als een postmodern dichter, zou wel eens voorbij kunnen gaan aan de mooie beelden in zijn werk.
Wel kun je je leeservaring verrijken door eens vanuit een bepaalde invalshoek naar een gedicht te kijken. In Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen lezen Vaessens & Joosten het werk van Arjen Duinker vanuit de invalshoek van het 'postmoderne' probleem van de identiteit. In die lezing treden andere aspecten van zijn werk op de voorgrond dan in mijn oorspronkelijke lezing. Dat is leuk en verrijkend. Maar als ik zo’n invalshoek niet vervolgens loslaat, wordt het de enig juiste of enig mogelijke lezing. Dat is jammer want er is meer aan Duinker te beleven dan dat.
De omschrijvingen die Caroline en jij geven van mijn gedichten vind ik oké. Ze bieden ruimte; mogelijke invalshoeken op mijn werk. De opmerking van Caroline komt voort uit onze gesprekken. Laatst bespraken we elkaars werk en merkte zij op dat ik zoveel aandacht besteed aan de (spannings)opbouw. Zo vind ik de opening van een gedicht heel belangrijk. De lezer of toehoorder moet direct in het gedicht zitten. Dat is bijvoorbeeld goed gelukt in ‘iets anders’. Dat gedicht hangt aan de beginregels. Waarschijnlijk bedoelde Caroline in de opmerking die je citeert, dat ik van (vrijwel) alle woorden in mijn gedichten kan uitleggen waarom ze er staan. (Ook al sta ik na verloop van tijd niet altijd volledig achter een eerder gemaakte keuze. Soms wijzig ik het gedicht dan. Karlijn Groet wees mij laatst erop dat het slot van 'Körperwelten' zonder de laatste regel sterker zou zijn. Ik had lang getwijfeld over die regel (bestaand uit één woord: 'dood'), maar kon haar uitleggen waarom hij er stond, op basis van een filosofisch argument. Die slotregel is inmiddels gesneuveld. In mijn poëzie wil ik uiteindelijk vooral de taal de keuzes laten bepalen. Filosofische argumenten mogen de leiding nemen in mijn (beschouwend) proza.)
Vooral met betrekking tot de gedichten 'Daar is de man', 'Körperwelten' en 'Staketsel van daken’ kan ik mij jouw lezing wel voorstellen. In die gedichten wilde ik heldere beelden neerzetten. Die beelden zijn natuurlijk wel neergezet met woorden... Vervang je een woord door een ander woord met (ongeveer) dezelfde betekenis dan ontstaat een andere lading, een andere toon; een ander beeld. Het nieuwe woord gaat met andere woorden een verbinding aan, het heeft een andere klank, een andere afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen, enzovoort. Een woord dankt zijn werking niet alleen aan hetgeen waarnaar het verwijst in de werkelijkheid (als het al naar iets verwijst).
In deel 2 van ‘staketsel’ volgen twee beelden op elkaar: "... zwijgende lachlippen / rijp op bleek gras ongerept ochtendijs / zonlicht dat breekt in de eerste kras" en "... 's nachts een lachstuip / 't bed uit onder een bulderende wolkenlucht / uitgelaten naar huis hollen met stormkracht in de rug". Twee heel verschillende beelden. Dat wordt versterkt door het gebruik van andere klanken en woorden met een andere intensiteit (o.m. 'ongerept' en 'breekt' tegenover 'bulderende' en 'stormkracht').

'stamel de naam' is een heel ander gedicht. Heel kaal. Geen woord is overbodig en elk woord staat precies op zijn plaats. Of speelt volgens jou ook in dat gedicht vooral het beeld een rol?

Nee, dit gedicht was me al opgevallen als uitzondering bij deze vijf gedichten.
Wat ik me wel eens afvraag: zou er voor het lezen en schrijven van poëzie een heel aparte manier van denken nodig zijn?

Ja, dat is een interessante vraag. En als filosoof zou ik verstand moeten hebben van denken… Maar nee, een filosoof heeft eigenlijk nergens verstand van (als-ie geen ander vak beheerst), kan vooral goed lullen.
Uit ervaring weet ik wel dat als ik me intens bezig houd met academische filosofie, mijn poëzie minder taalspel is maar inhoudelijk perfect klopt. Wat dat betreft raakte je opmerking, dat die gedichten om beeld draaiden, wel iets essentieels. Een beeld neerzetten ligt meer in de lijn van het 'uitputtend en exact' formuleren van de wetenschapper, filosoof, of bureaucraat ;-) Het subtiele spelen met woorden op een manier dat ze met elkaar onverwachte (dwars)verbanden aangaan is iets heel anders en vereist volgens mij echt een ander soort denken. Een andere houding eigenlijk: niets, en vooral niet de taal, vanzelfsprekend nemen. Gebruikelijke verbindingen tussen woorden (hond - uitlaten) niet gewoner vinden dan ongebruikelijke (hond - uitfluiten). (Voor mij persoonlijk is die houding zelfs een reden de wetenschap vaarwel te zeggen; poëzie is mij liever dan de academie.)

Vorig jaar is een kort onderzoek gedaan naar de geest van de dichter: 'poëzie in het lab'. Ik weet niet wat eruit is gekomen, word wel ineens erg nieuwsgierig. Het tijdschrift Parmentier gaat een nummer eraan wijden.

Of poëzie ook een ander soort lezen vereist... Je kunt het op vele niveaus lezen. Maar poëzie die echt speelt met taal volledig kunnen waarderen, vereist volgens mij toch die houding waarin je niets als vanzelfsprekend neemt.