De Vulkaan
Een groene vulkaan in de gloed van het maanlicht
Totaal ongevaarlijk, al jarenlang dood
Geen kans op herhaling van vroegere drama's
Zo is ons verklaard, en zo wordt er geloofd
Dus wie ziet de maan op de vlucht slaan, vanavond?
Wie ziet hoe de lucht wordt veranderd in rook
Wie ziet hoe een adelaar vriendjes verzamelt?
En diep in de krater tot daden opstookt
Ik niet
Het is donker en al laat
Ik loop dronken over straat
En het onweert dat het klatert
Bliksem, donderslagen, hagel
Witte bommen, knikkers water
tikken ronde dikke kraters
in de modder die ontstaan is
op de grond die ik betreed.
Ik sta aan de voet van een dode vulkaan
Als een man met een boek op me toeloopt en vraagt
Of ik weet wat ik doe, waar ik ben, waar ik sta
Nee, zucht ik moe, vertel het me maar
De man met het boek zegt nu tamelijk kwaad
terwijl ie geergerd een bladzij omslaat
Och arme sterveling, denk toch eens na!
Waar het naartoe ging, de laatste paar jaar
Dit is je toekomst, kijk naar de straat
Je staat in de poel des verderfs, kameraad
Die man, die man
Waar ken ik 'm van?
Een zot, met een boek
en een klok in z'n hand
Een stokoude Opa
Gehuld in een toga
Die vlak voor m'n ogen
Mijn foto verbrandt
Ik ben in de poel des verderfs, en versaag
Ik voel hoe het bloed, m'n hersens verlaat
Toch al beroerd door het stuk in m'n kraag
Voel ik m'n voeten de blubber in gaan
Ik zink en ik zink, ik zink alsmaar verder
De oude man grinnikt en wijst op z'n wekker
Over een uur staat de poel tot je mond
Zoetzure modder, duivelse stront
Je houdt toch van drinken? Dat vind je toch lekker?
Nou zuip dan maar flink meneer, ik ga vertrekken
De man laat me achter, met het uitzicht op z'n boek
En ik, ik blijf maar zakken, in die onbestemde troep
Nergens een houvast, als een olifant op zee
zink ik lijdzaam het moeras in, van gestolde diarree
De kotsgrond nadert me reeds tot de lippen
Als plots uit het boek een gestalte verrijst
Een mantel waarboven een kringetje schittert
Een vrouw die mijn hoofd in haar armen vleidt
Is ie weer bezig, mompelt ze zacht
Ik dacht al met al dat gedonder vannacht
Er wordt er weer vast 1 de plomp in gekwakt
O, altijd hetzelfde lied met die kerel
Even verliest ie z'n grip op de wereld
Eventjes gaat het weer niet zo naar wens
En hup meneer moet zich weer afreageren
op de eerste de beste zondige mens
Maar ja, het is ook niet simpel daarboven, hoor
Hij kan het ook niet meer allemaal aan
Vlieg maar eens mee naar het rijk van de doden
De plek waar ik woon en waar Tijd niet bestaat
En kijk met me mee naar de hele beschaving
Van China tot Rome, Bejing tot Berlijn
Van Vikingen tot de Verenigde Staten
De hele vulkaan, van begin tot het eind
De vrouw trekt me op uit het dampende water
Wikkelt me vast in haar jurk van satijn
Vliegt naar de top van de vlammende krater
En blikt met me mee in de loop van de Tijd
We zien in de allesverzengende hitte
enkel geweld de geschiedenis vormen
en tussen de witte skeletten, gebitten
Gieren met tienen Bastilles bestormen
Hitler, Napoleon, Julius Ceasar
staan onder de zoden de leiding te geven
Aan vroegere volkeren, kop in het zand
Een groep in een doolhof die boeken verbrandt
Een adelaar spreekt, kanonnen verrijzen
Verleden en toekomst verdringen elkaar
Groene ballonnen die bommetjes blijken
Splijten de hemel en voeden de haat
Een flitsende oorlog is heden gestart
En vliegtuigen kleuren de horizon zwart
Oh wie had die metamorfose verwacht
Van deze vulkaan, die dood werd geacht
Ik niet
Het is donker en al laat
Ik loop dronken over straat
En het onweert dat het klatert
De geschiedenis herhaalt zich
Herhaalt zich, herhaalt zich
Tsja, zegt de vrouw, de wereld is klote
Vooral als je mateloos machteloos staat
Als je zit met een kind dat gewond in je schoot ligt
Maar de rest van de wereld z地 gangetje gaat
Zo gauw als ze kwam is de vrouw weer verdwenen
Net als de poel en de groene vulkaan
Ik kan ook m地 voeten weer vrijuit bewegen
En loop naar m地 huis om naar bed toe te gaan
De volgende dag schrik ik duizelig wakker
Ik klauter m地 bed uit en kijk uit het raam
Een oude mevrouw koopt een taart bij de bakker
Een vent met een teckel loopt fluitend op straat
De man van de kranten zwaait lachend mijn kant op
En ook op m地 werk doet eenieder gewoon
Ik die daar dacht dat de wereld in brand stond
Zot die ik was, vast weer gedroomd.
Sven Ariaans